Woekerend Verzet
Blog
Woeker met ons, gij woekerend wezen
.... (insert manifest)
Waarom woekeren wij?
Ik weet het ook niet, een soort drang, een drang om te creëren, uit te breken, te verbeelden, wat er kan zijn, buiten de strakke grenzen van dominante structuren, grenzen waarbinnen velen van ons hebben geleerd onszelf heel klein te maken, onze wilde ideeën en verlangens op te bergen, te conformeren, te stoppen met dromen.
Waarom woekeren wij?
Wij woekeren omdat we geen keuze hebben, een wild dier schreeuwt in ons, gilt, van verlangen, te mogen bestaan. Een wild dier kruipt en valt en geeft likjes aan alles wat ze leuk vindt. Ze weet nog hoe ze huilde bij de volle maan, hoe de eerste insecten ontstonden, ze wil méér. Ze beweegt mee doorheen een wereld die druipt van een gebrek aan verbeelding, laminaat, plastic hekjes en tussenruimtes, ruimtes waar je alleen passeert, om naar iets anders belangrijks te bewegen, maar nooit echt bént. Het beest in ons wil woekeren, zich uitzaaien in de voegen van de stoep en openbreken.
Woekerend wie?
FAQ
Al struikelend kijk ik achterom. De Minotaurus wenkt me, gaan we uit, of in het doolhof. De draden lopen door elkaar. Ik schrijf een brief, ik wil graag een brief schrijven. Maar aan wie? Niet dat ik niemand ken, ik ken jou, ik ken anderen. Tussen de bomen groeit klimop, in de bomen groeit klimop. Langs de dikke ranken kan je omhoog klimmen, echt waar, als je durft. Ik durf. Maar ik ben ook bang.
Al struikelend kijk ik achterom. Iemand neemt mijn hand vast, we struikelen verder tot we aankomen bij een huis, het is van een van ons, of samen, we gan de deur door en hij zet thee. Brandnetelthee met Bijvoet. Geprezen zij hekate. We houden elkaars handen vast, zijne in de mijne, mijn hand verstopt in zijn hand. O heilige Maria, moeder van ons allen, gezegend zij uw naam.
Later die avond gaan we toch terug naar buiten. Onze vrienden komen samen onder verhalen. We zitten in een losse cirkel en liggen op elkaars schoot. We wachten. Iemand praat, begint te vertellen, we verzinnen, we herformuleren. We vertalen en verdwalen. Er was eens. Weet je nog? Er was eens een prins en een prinses. Nu is er een non-binary piraat die droomt van ruînes. We drinken weer thee, Bramenblad en Paardenbloem. Soms loopt het verhaal vast, maar altijd komt er iemand verder, starten we weer op. De stam van de boom stopt, het leven stopt, we vallen stil. Ze noemen dat depressie. Maar dit einde is geen einde, er is geen einde zonder einde en niet na het begin. Er is geen einde zonder begin. Nadat alles stopt, komen we weer overeind. De stam van de boom herpakt zich, de leegte wordt overgestoken, de leegte die zo vol is, de leegte van het midden. Weet je dat van een boom enkel de buitenste centimeters levend weefsel zijn? Het binnenste hout beweegt niet meer, krioelt pas terug na het einde, het nieuw begin, als het hout ontbindt. Ontbinding is verbinding.
Deze crew bestaat uit vijf leden. Hun namen kan ik je niet vertellen, ze weten ze zelf nog niet. Ze kijken vreemd naar je als je het vraagt, alsof het een belediging is dat ze een naam zouden hebben. Ze trekken hun ogen op en zeggen zomaar iets. 'Patrick' of 'Tuin' of 'Overvloed' of 'Rat' of 'Ting'. Ze dwalen door de stad op zoek naar Tekens, ze dwalen door de stad op zoek naar voedsel, opzoek naar ruimte. Ze willen niet naar Mars. Ze laten boodschappen achter die vervagen in de regen, met krijt of post-its (je weet wel, die gele papiertjes). Ze zaaien Brandnetels en planten stekjes van Bramen en Wilgen. Ze voederen de Ratten en de Duiven, ze zwaaien naar de Bevers.